Pagina 1 van 1

Tussen de golven. Deel 2.

Geplaatst: di 04 aug 2026, 06:44
door Wimmie
’s Avonds onder het eten vertel ik enthousiast hoe mijn eerste dag is verlopen.
“Ze hebben er dus een lifeguard bij, begrijp ik?” vat mijn vader kort samen.
“Zeker. Morgen werk ik weer, opnieuw met Thijs.”

De volgende morgen fiets ik rustiger naar het strand dan de dag ervoor. Gisteren voelde alles nieuw en groot; elke boei, vlag en portofoon leek iets te betekenen dat ik nog moest leren. Nu herken ik de route, de geur van zout en zonnebrand, het vroege geroezemoes bij de strandopgangen. De spanning is er nog wel, maar hij zit niet meer in de weg. Hij houdt me scherp.
Natuurlijk ben ik weer vroeg, een eigenschap waar ik stiekem best trots op ben. Thijs is er ook al. Vandaag werken we met een ander team samen. Naast Karin en Joost draaien nu Anton en Astrid mee.

“Ah, jij bent ons nieuwe puppie?” vraagt Anton vriendelijk.
“Hoe oud was jij toen jij begon?” reageert Thijs.
“Ik dacht een jaar of 17.”
“Dat was dus in de vorige eeuw. Jij bent gewoon een bejaarde,” reageert Thijs.
Anton lacht: “Ik hoop op het strand oud te worden.”

Ik volg het heen-en-weergekaats een beetje verbaasd. Thijs ziet mijn blik.
“Let maar niet op Anton,” zegt hij.
“Anton plaagt graag. Als ik niet terugplaag, beleeft hij er geen lol aan. En dat plezier gun ik hem, op zijn leeftijd.”
Voor ik kan reageren, schiet Thijs de deur uit met Anton achter zich aan.
Astrid kijkt me glimlachend aan. “Daar wen je wel aan. Dat gepup is alleen aardig bedoeld, hoor, Leon.”

Even later komen Anton en Thijs stoeiend terug.
“Zo houd ik Anton jong,” zegt Thijs. Daarna wordt hij weer serieus. “We gaan ons op onze dienst voorbereiden. Wij beginnen vandaag op de toren.”

Het weer lijkt op dat van gisteren: weinig wind, weinig golven en een strand dat langzaam voller loopt. Op het eerste gezicht is het bijna té rustig. Juist daardoor merk ik dat ik voortdurend blijf kijken: naar kinderen die te ver vooruit rennen, naar ouders die hun spullen uitpakken, naar zwemmers die steeds een paar meter verder zee in gaan.

Onze dienst op de toren begint kalm. Dan komt er een moeder met een kleuter de trap op. Ze probeert rustig te blijven, maar haar hand ligt stevig om de schouder van het jongetje. Hij heeft ergens in getrapt en zijn voet bloedt. Zijn moeder weet niet goed wat ze ermee aan moet.
Thijs maakt eerst het voetje heel voorzichtig schoon. Het blijkt een niet zo grote en niet zo diepe snee te zijn.

“Wat zou jij doen?” vraagt hij mij.
“Eerst ontsmetten. Daarna vloeibare pleister erop en, als die droog is, een gewone pleister eroverheen. Dan kan hij gewoon weer spelen en is de kans op infectie klein.”
“Helemaal prima. Ga je gang.”
Ik zak door mijn knieën zodat ik het jongetje kan aankijken. Ik houd zijn voetje vast. Terwijl ik mijn spullen klaarleg, praat ik zo gewoon mogelijk tegen hem. “Hoe oud ben jij?”
“Ik ben al bijna vier.”
“Heb je erg gehuild toen je voet begon te bloeden?”
“Ja, want het deed heel erg pijn.”
“Ik ga je nog een heel klein beetje pijn doen. Kan dat zonder dat je gaat huilen?”
Hij kijkt zijn moeder aan.
“Zeg jij het maar.” reageert die.
“Ik ga het proberen.”
“Goed van jou.” zeg ik.
Terwijl hij met zijn moeder praat, raak ik met het watje met desinfecteeumiddel voorzichtig de wond aan. Ik let op zijn gezicht, niet op zijn voet. Als hij niet schrikt, kan ik door.
“Het is al klaar. Heb je wat gevoeld?”
“Ik heb helemaal niets gevoeld.”
“Dan hoef je ook niet te huilen. Nu spuit ik er een laagje overheen dat een beetje hard wordt. Daar doe ik een pleister op en dan kun jij straks weer in het zand spelen.”
Ik doe precies wat ik heb gezegd: rustig, zonder haast, maar ook zonder te treuzelen.
“Helemaal klaar. Wat wil jij later worden?”
“Dokter.”
“Nou, dan heb je vandaag je eerste les gehad. Veel plezier op het strand.”

Moeder bedankt me en als ze de trap zijn afgelopen zie ik het jongetje meteen weghollen.
“Dat heb je prima gedaan, Leon. Dat afleiden terwijl je intussen handelt, ga ik onthouden.

Voor we wisselen en over het strand gaan lopen, eten we eerst wat. Dan hebben we straks onze handen vrij. Intussen verandert het strand. Waar het eerder nog ruim leek, liggen nu handdoeken dicht tegen elkaar aan. Kinderen rennen tussen koelboxen en parasols door. In zee bewegen overal hoofden en opblaasbanden.

Op een bepaald moment hoort Thijs geroep. Het snijdt door het gewone strandgeluid heen: niet vrolijk, niet speels. Hij tikt me kort aan en wijst naar het strand. Ik merk dat ik vooral naar zee heb gekeken.
“We gaan even kijken wat daar aan de hand is.”
We lopen ernaartoe, eerst gewoon, daarna iets sneller. Er staan een paar jongetjes met een bal. Twee mannen staan dicht op elkaar en schreeuwen boos. De kinderen zijn stilgevallen.
“Goedemiddag. Kan ik ergens mee helpen?” vraagt Thijs.
“Ja, die kinderen spelen hier met een bal en schoppen hem steeds mijn kant op. Ik heb geen zin om geraakt te worden. Ze moeten ermee ophouden.”
Thijs kijkt naar de twee jongens, een jaar of tien.
“Houden jullie van voetballen?”
“Ja, we zitten alle twee op voetbal.”
“Ik begrijp het. Het is vandaag wel heel erg druk op het strand, vinden jullie niet?”
“Ja, we kunnen bijna geen plekje vinden waar we een beetje met de bal kunnen trappen.”
“Dat is heel vervelend. Hoe ver mogen de jongens van u op het stand bij u weg?” vraagt Thijs aan de andere man, die duidelijk de vader is.
“Ze zijn tien en elf, dus ik hoef echt niet voortdurend bovenop ze te zitten.”
“Zouden ze van u aan de andere kant van dit bewaakte gebied mogen ballen? Daar is het rustiger en u kunt hen vanaf hier nog zien. Op u gaat er dichterbij zitten. En jullie zorgen ervoor dat de bal niet te ver richting zee gaat, oké?” De jongens knikken.

“We lopen even met jullie mee,” zegt Thijs. Als we een stukje verder zijn, zegt één van hen zacht: “We deden het niet expres.”
“Dat snap ik. In zand is een bal lastiger te richten dan op gras.”
“Ja, voetballen hier is best lastig.”
Thijs wijst ze een plekje. “Kunnen jullie daar voetballen?”
“Ja hoor, hier is best ruimte. Dank u wel,” zegt de ene jongen opgelucht.
“Nou succes. En hier niet in zee, het is hier niet bewaakt.”

Als we weglopen, merk ik pas dat mijn schouders gespannen waren. “Dat was een prettige manier om een ruzie te stoppen,” zeg ik tegen Thijs.
“Dat lukt niet altijd, maar zo begin ik het liefst. Rustig blijven, iedereen even laten landen. Ik heb nog wel andere manieren; die komen de komende week vast voorbij. Dan laat ik ze je zien.”

We lopen verder langs de vloedlijn. Daar loop je het makkelijkst en houd je tegelijk overzicht over zee en strand. Toch kijk ik nu anders dan vanochtend. Niet alleen naar wat er gebeurt, maar ook naar wat er kan gaan gebeuren.
“Hoe vind je het tot nu toe, Leon?”
“Ik vind het heel leuk, nog leuker dan het me tevoren leek.”
“Ik vind dat je het goed doet. Gebruik dit jaar om veel te leren. Doe deze winter de cursus IRB Crewman; dan ben je volgend jaar een volwaardige lifeguard. Als je daarna verdergaat, kun je op termijn zelf iemand opleiden. En geloof me: ook dat is leuk.”

Als we weer richting toren lopen, komt er een moeder op ons af. Ze kijkt niet gewoon bezorgd; ze kijkt alsof ze elk gezicht tegelijk probeert te herkennen. “Mijn dochtertje van drie is zoek. Ik stond heel even met de buren te praten en ineens was ze weg.”
“Wat heeft ze aan?”
“Een roze badstof broekje en teenslippers.”
“Is ze klein of groot voor haar leeftijd?”
“Normaal.”
“Wat is haar naam?”
“Annette.”
“Geef maar door aan de toren.” zegt Thijs tegen mij.
Ik pak de mobilofoon. Mijn stem klinkt rustiger dan ik me voel. Ik meld aan de toren dat er aan onze kant, halverwege, een meisje van drie rondloopt dat Annette heet. Ze draagt een roze badstof broekje en teenslippers en is waarschijnlijk op zoek naar haar moeder.
Even later wordt het omgeroepen.

Wij kijken rond. Ineens lijkt het strand groter dan daarnet. Overal lopen kinderen, overal roze handdoeken, roze emmertjes, roze slippers. Ik dwing mezelf niet te gaan raden, maar te blijven zoeken.

Dan zie ik verderop mensen zwaaien. Iemand komt naar ons toe rennen. Mijn hart maakt een sprong voordat ik kan zien of het goed nieuws is.
“Annette zit waarschijnlijk bij ons met de hond te spelen.”
We lopen samen met de moeder die kant op. De laatste meters gaat zij bijna rennen. Ze stopt. En ja, daar zit Annette, zich van geen kwaad bewust, naast een grote lassiehond. Ze aait hem rustig over zijn vacht, alsof ze nergens anders had kunnen zijn.

Dan loopt moeder naar Annette toe. Annette kijkt op en zegt: “Lieve hond, mama.” De moeder slikt zichtbaar iets weg. Even lijkt ze te willen uitvallen, maar dan gaat ze door haar knieën en streelt Annette over haar haar. “Ze is zich van geen kwaad bewust,” zegt ze tegen ons. “Ze is ook pas drie,” reageer ik.
“Dank jullie wel.”
“Daar zijn we voor.” reageer ik.

We lopen verder langs het strand. Na een tijd wisselen we met het andere team: Astrid en Anton.
“Hoe gaat-ie, puppie?” vraagt Anton plagend.
“Van dit puppie kun jij ook nog wat leren,” reageert Thijs.
“Leg uit.”
Thijs vertelt het verhaal van het jongetje met de snee in zijn voet.
“Dat trucje ga ik ook proberen. Ik promoveer je van puppie tot pup!”
“Nou, bedankt, opa.” reageer ik lachend.
“Zo, die zit.” zegt Astrid. “Laat je niet kisten door Anton!”

De dienst aan de andere kant van de toren brengt die middag niets bijzonders. Misschien is dat juist prettig na het zoekgeraakte meisje. Thijs gebruikt de rust om te vertellen wat hij in zijn eerste jaren het ingewikkeldst vond: echte ruzies, mensen die dronken zijn en situaties waarin iemand niet meer voor rede vatbaar is. Soms heeft hij de strandpolitie moeten laten komen.
“Dat gebeurt gelukkig niet vaak,” zegt hij. “Alleen als het dreigt uit de hand te lopen. Over het algemeen zijn ze er snel. Ik heb geleerd niet te lang te wachten, want anders zit je zelf met een situatie waar je weinig aan kunt doen.”

Aan het eind van de middag spreken we na.
“Het was een rustige dag,” zegt Thijs. Hij glimlacht even om zijn eigen woorden. “Tenminste, voor dit werk. Kleine incidentjes, veel te leren voor jou. Morgen nog één dienst, dan hebben we twee dagen vrij en daarna werken we weer drie dagen samen. Dat is ook in het weekend. Als het dan mooi weer is, wordt het extra druk.”
“Ik vind het heel leuk. Ik heb nu al zin in morgen.”
“Dan zien we elkaar morgen.”