Tussen de golven. Deel 4.
Geplaatst: do 06 aug 2026, 06:27
Na mijn thuiskomst ‘s avonds, vertel ik mijn ouders uitgebreid over alles wat ik die dag heb meegemaakt. Ze delen mijn enthousiasme. “Het was een goede keuze om je als lifeguard op te geven,” zegt mijn vader. “Het past bij je liefde voor zwemmen, je doet iets nuttigs én je hebt er duidelijk plezier in.”
De twee vrije dagen vallen me zwaarder dan ik had verwacht. Steeds krijg ik de neiging om naar het strand te fietsen, maar ik houd mezelf tegen. In plaats daarvan ga ik naar Daan om te gamen, lees ik verder in mijn boek en doe ik boodschappen. Vrijdagavond kook ik.
Op zaterdag mag ik weer. Zo voelt het tenminste. Ik begrijp best dat het nodig is om na drie of vier dagen een paar dagen vrij te zijn, maar op dit moment kan ik er geen genoeg van krijgen.
Thijs is er ook al. “En, hoe ging het de afgelopen dagen?” vraagt hij.
“Ik moest mezelf echt dwingen om niet naar het strand te fietsen. Eigenlijk wilde ik helemaal geen vrij hebben.”
Thijs lacht. “Dat heeft bijna iedere lifeguard in het begin. Ik ook. Ik ben zelfs een keer gegaan op mijn vrije dag. Niemand lachte me uit, gelukkig. Ze legden alleen uit dat het normaal was, maar dat ze me op dat moment niet konden gebruiken. Sindsdien kom ik hier niet wanneer ik vrij ben. Werk ik, dan geniet ik er voor de volle honderd procent van.”
Het mooie weer van eerder is niet teruggekeerd. De dag hangt er een beetje tussenin: zon, wolken en een stevige wind, ergens tussen windkracht drie en vier. Daardoor staat er een mooie branding. Met negentien, twintig graden en de nodige wind is het niet echt warm. “Typisch Nederlands strandweer,” zegt Thijs.
Vandaag zijn er ook een paar andere lifeguards: Thomas en Anita. Joost en Karin zijn er weer bij. “Hoeveel teams zijn er eigenlijk?” vraag ik.
“In totaal zijn we, jou meegerekend, met twintig mensen, verdeeld over tien teams,” antwoordt Thijs. Er is nog een andere nieuwe lifeguard, net als jij. Nieuwe lifeguard. Dat klinkt beter dan pup.” Hij grijnst.
“Ik vind het niet erg om pup genoemd te worden. Ik ben ook smurf geweest. What’s in a name?”
Thomas en Anita werkten gisteren ook. Wanneer ik met Thomas kennis maak, zegt hij: “O, ben jij Leon? Er is gisteren een jongen geweest die naar je vroeg. Ik heb hem verteld dat je vandaag weer werkt.”
“Weet je wie het was?” vraag ik.
“Nee. Ik heb niet gevraagd wie hij was of waarom hij je zocht. Het was druk op dat moment. Misschien komt hij vandaag terug.”
Ik knik. De vraag blijft hangen. Wie zou mij op het strand komen opzoeken? Waarschijnlijk een klasgenoot die weet dat ik als lifeguard begonnen ben. Toch merk ik dat ik onwillekeurig vaker richting de strandopgang kijk.
We beginnen vandaag op de toren. Het is nog rustig; voor veel mensen is het te fris. Thijs geeft me de map van de cursus IRB Crewman. “Kijk die maar eens door. Het lijkt me goed dat jij die cursus doet. Jij bent voor lifeguard in de wieg gelegd. Als je je wilt opgeven, moet je er op tijd bij zijn, want er is maar één cursus per winter en die zit snel vol.”
Ik blader door de map. Alles ziet er interessant uit. Achterin zit een aanvraagformulier, al moet je dat online invullen. Eén van de vragen blijft me bezighouden: ‘hoeveel jaar ervaring heb je’? Ik vraag Thijs wat ik daar moet invullen.
“Gewoon eerlijk zijn,” zegt hij. “Schrijf dat je net begonnen bent, maar dat een ervaren collega met alle diploma’s je vanwege je kwaliteiten heeft aangeraden je op te geven. Zet mijn naam erbij. Zo ben ik ook op de cursus gekomen.”
“Ik ga me vanavond meteen inschrijven.”
“Heel goed. Hoe meer lifeguards we hier uiteindelijk met het diploma schipper hebben, hoe makkelijker we de boot kunnen inzetten. Misschien kan er dan zelfs een tweede boot komen. Er zijn dagen dat we het met één boot nauwelijks redden.”
Het blijft rustig op het strand. Het weer nodigt ook niet echt uit. Er zijn wel wat gezinnen met kleine kinderen, die blijkbaar minder last hebben van de kou. De zee blijft voor hen beperkt tot pootjebaden.
Om twaalf uur besluiten we met z’n allen in de toren te eten. Met deze strandbezetting kan dat makkelijk. Misschien omdat ik erbij ben, komen de verhalen weer los: reddingen, bijna-ongelukken, stom toeval en geluk op het juiste moment. Thijs heeft me al een paar van zulke verhalen verteld. Nu luister ik anders. Ik heb inmiddels zelf ook een verhaal.
Na het eten lopen we het strand op. Dat wil ik graag. Ik ben niet gekomen om alleen maar op de toren te zitten, hoe belangrijk dat op drukke dagen ook kan zijn.
“Vandaag zullen kinderen niet snel kwijtraken,” merkt Thijs op.
Af en toe blijven we staan praten. De wind gaat wat liggen, de zon breekt door en bijna meteen verandert het strand. Er komen meer badgasten, al blijft alles goed te overzien. Toch speur ik voortdurend de zee af. Er zijn maar een paar zwemmers, maar sinds woensdag weet ik hoe snel rustig water gevaarlijk kan worden.
Bij de toren spreken we het andere team. We zijn het erover eens: tot nu toe is het een rustige dag.
Het is al vier uur en onze dienst zit er bijna op. De avondploeg komt zo om ons af te lossen. Dan voel ik ineens een tik op mijn schouder. Achter me staat een jongen van een jaar of zestien. Hij komt me bekend voor, maar ik kan hem niet meteen plaatsen. “Dag…?” zeg ik vragend.
“Ik ben Lars. Je hebt me woensdag bij de golfbreker weggehaald. Ik wilde je nog bedanken,” zegt hij een beetje verlegen.
“O, sorry dat ik je niet meteen herkende, Lars. Met kleren aan zie je er anders uit dan in zwembroek.”
“Geeft niks. Ik was hier gisteren ook al, maar toen werkte je niet. Ze vertelden dat je er vandaag weer zou zijn. Ik wilde je bedanken… en eigenlijk ook vragen hoe je lifeguard wordt. Ik zwem graag en ik heb nu gezien hoe belangrijk dit werk is. Zullen we een keer ergens wat drinken en erover praten?”
Ik aarzel. Mag dat eigenlijk wel? Ik kijk naar Thijs. Die haalt zijn schouders op en glimlacht. “Een beetje promotie voor ons vak is altijd goed, Leon. Geen probleem.”
“Oké, dank je.” Ik draai me weer naar Lars. “Prima. Wanneer en waar?”
“Heb je zo na afloop tijd? Dan kunnen we bij het strandpaviljoen gaan zitten.”
“Is goed. Ik heb niet heel veel tijd, maar samen iets drinken hoeft niet lang te duren.”
“Dan ga ik er vast heen en zie ik jou daar straks.”
Lars loopt richting strandpaviljoen. Ik kijk Thijs aan. “Gebeurt zoiets vaker?”
“Bedankjes krijg je vaker,” zegt Thijs. “Maar dit soort uitnodigingen? Nee, dat heb ik nog niet meegemaakt. Als hij echt interesse heeft, kan hij zich aanmelden bij de reddingsbrigade.”
“Nou ja, ik zie het wel.”
Als mijn dienst erop zit en ik “tot morgen” tegen Thijs heb gezegd, loop ik naar het strandpaviljoen. Lars zit er al. Even lijkt hij kleiner dan op het strand bij de golfbreker, maar zodra hij opkijkt herken ik hem.
“Ik heb woensdag nog lang knikkende knieën gehad,” zegt hij zodra ik zit. “Toen pas besefte ik hoe stom ik was geweest. Zonder het te merken kwam ik te dicht bij de golfbreker. Ik had het echt benauwd toen je bij me kwam. Ik weet niet wat er gebeurd zou zijn als jij er niet was geweest.”
“Het was toeval dat ik die ochtend zelf daarheen was gezwommen om te ervaren wat de stroming doet,” vertel ik. “De boot lag vlakbij met twee collega’s. Toen de stroom mij pakte, raakte ik toch even in paniek. Daarna hoorde ik in mijn hoofd wat ze me hadden ingeprent: geen paniek, met de stroom mee. Dat heb ik gedaan. Daarom vroeg ik later meteen of ik naar jou toe mocht zwemmen. Ik zag dat je bang was.”
“Gelukkig is het goed afgelopen,” zegt Lars zacht. “En nu wil ik graag weten hoe je lifeguard wordt.”
Onze drankjes worden gebracht.
“Waar woon je eigenlijk, Lars? En zit je nog op school?”
Lars blijkt in dezelfde stad te wonen als ik, alleen zit hij op een andere school. Ik vertel hem dat ik bij de reddingsbrigade in onze stad heb leren zwemmen en daar verschillende lifeguard diploma’s heb gehaald. Dat zou hij ook kunnen doen. Als hij zich aanmeldt, kan hij na de zomervakantie starten.
“Hoe oud ben jij?”
“Ik word over twee weken 16.”
“Ik ben drie maanden geleden zeventien geworden. Met zeventien jaar en de juiste diploma’s mag je beginnen als lifeguard.”
“O, wat zou ik dat graag willen proberen. Zijn die diploma’s lastig?”
Er ontspint zich een leuk gesprek. Terwijl Lars praat, betrap ik mezelf erop dat ik hem beter bekijk dan nodig is. Hij heeft een open gezicht en het lijkt alsof hij voortdurend bijna glimlacht.
“Ik weet niet of alle eisen online staan,” zeg ik. “Als je ze niet kunt vinden, kan ik ze je wel doorgeven. Dan kun je kijken wat je al kunt en hoeveel tijd het kost om de diploma’s te halen.”
“Dat zou fijn zijn. Zal ik je mijn telefoonnummer geven? Dan kun je me op WhatsApp vinden.”
Lars geeft me zijn nummer. Ik bel hem op. “Zo, nu heb jij mijn nummer ook.”
“Ik ga thuis meteen kijken wat er online te vinden is. En hoe ik me op moet geven.”
“Helemaal prima. Als je nog vragen hebt hoor ik het wel.”
Lars rekent af. Ik sta op om naar mijn fiets te lopen. “Waar staat jouw fiets?” vraagt hij. Ik wijs hem aan. “De mijne staat vlakbij. Zullen we samen fietsen zolang dat kan?”
“Mij goed.” reageer ik.
We fietsen samen weg. Onderweg praten we door, eerst over school en zwemmen, daarna over van alles en nog wat. Het gaat opvallend makkelijk. Alsof we elkaar al langer kennen dan sinds woensdag bij de golfbreker.
Na het eten - waarbij ik natuurlijk verslag doe van mijn dag en Lars niet vergeet te noemen - zoek ik op mijn laptop naar informatie over de verschillende diploma’s. Na lang zoeken vind ik de eisen, in het Engels. Ik vraag me af of Lars ze zelf ook kan vinden. Voorlopig wacht ik af of hij weer contact opneemt.
Als ik later in bed lig en aan Lars terugdenk, merk ik dat hij opvallend vaak door mijn hoofd gaat. Vaker dan jongens die ik anders leer kennen. Komt dat door de manier waarop we elkaar hebben ontmoet? Door de schrik, de stroming, het moment waarop ik hem uit het water haalde? Of is het iets anders? Lars is leuk. Niet alleen om te zien, maar ook in de omgang. Bij hem voelde alles meteen vanzelfsprekend. Maar ja, zoals de meeste leuke jongens zal hij wel straight zijn. Met die gedachte val ik uiteindelijk in slaap.
De twee vrije dagen vallen me zwaarder dan ik had verwacht. Steeds krijg ik de neiging om naar het strand te fietsen, maar ik houd mezelf tegen. In plaats daarvan ga ik naar Daan om te gamen, lees ik verder in mijn boek en doe ik boodschappen. Vrijdagavond kook ik.
Op zaterdag mag ik weer. Zo voelt het tenminste. Ik begrijp best dat het nodig is om na drie of vier dagen een paar dagen vrij te zijn, maar op dit moment kan ik er geen genoeg van krijgen.
Thijs is er ook al. “En, hoe ging het de afgelopen dagen?” vraagt hij.
“Ik moest mezelf echt dwingen om niet naar het strand te fietsen. Eigenlijk wilde ik helemaal geen vrij hebben.”
Thijs lacht. “Dat heeft bijna iedere lifeguard in het begin. Ik ook. Ik ben zelfs een keer gegaan op mijn vrije dag. Niemand lachte me uit, gelukkig. Ze legden alleen uit dat het normaal was, maar dat ze me op dat moment niet konden gebruiken. Sindsdien kom ik hier niet wanneer ik vrij ben. Werk ik, dan geniet ik er voor de volle honderd procent van.”
Het mooie weer van eerder is niet teruggekeerd. De dag hangt er een beetje tussenin: zon, wolken en een stevige wind, ergens tussen windkracht drie en vier. Daardoor staat er een mooie branding. Met negentien, twintig graden en de nodige wind is het niet echt warm. “Typisch Nederlands strandweer,” zegt Thijs.
Vandaag zijn er ook een paar andere lifeguards: Thomas en Anita. Joost en Karin zijn er weer bij. “Hoeveel teams zijn er eigenlijk?” vraag ik.
“In totaal zijn we, jou meegerekend, met twintig mensen, verdeeld over tien teams,” antwoordt Thijs. Er is nog een andere nieuwe lifeguard, net als jij. Nieuwe lifeguard. Dat klinkt beter dan pup.” Hij grijnst.
“Ik vind het niet erg om pup genoemd te worden. Ik ben ook smurf geweest. What’s in a name?”
Thomas en Anita werkten gisteren ook. Wanneer ik met Thomas kennis maak, zegt hij: “O, ben jij Leon? Er is gisteren een jongen geweest die naar je vroeg. Ik heb hem verteld dat je vandaag weer werkt.”
“Weet je wie het was?” vraag ik.
“Nee. Ik heb niet gevraagd wie hij was of waarom hij je zocht. Het was druk op dat moment. Misschien komt hij vandaag terug.”
Ik knik. De vraag blijft hangen. Wie zou mij op het strand komen opzoeken? Waarschijnlijk een klasgenoot die weet dat ik als lifeguard begonnen ben. Toch merk ik dat ik onwillekeurig vaker richting de strandopgang kijk.
We beginnen vandaag op de toren. Het is nog rustig; voor veel mensen is het te fris. Thijs geeft me de map van de cursus IRB Crewman. “Kijk die maar eens door. Het lijkt me goed dat jij die cursus doet. Jij bent voor lifeguard in de wieg gelegd. Als je je wilt opgeven, moet je er op tijd bij zijn, want er is maar één cursus per winter en die zit snel vol.”
Ik blader door de map. Alles ziet er interessant uit. Achterin zit een aanvraagformulier, al moet je dat online invullen. Eén van de vragen blijft me bezighouden: ‘hoeveel jaar ervaring heb je’? Ik vraag Thijs wat ik daar moet invullen.
“Gewoon eerlijk zijn,” zegt hij. “Schrijf dat je net begonnen bent, maar dat een ervaren collega met alle diploma’s je vanwege je kwaliteiten heeft aangeraden je op te geven. Zet mijn naam erbij. Zo ben ik ook op de cursus gekomen.”
“Ik ga me vanavond meteen inschrijven.”
“Heel goed. Hoe meer lifeguards we hier uiteindelijk met het diploma schipper hebben, hoe makkelijker we de boot kunnen inzetten. Misschien kan er dan zelfs een tweede boot komen. Er zijn dagen dat we het met één boot nauwelijks redden.”
Het blijft rustig op het strand. Het weer nodigt ook niet echt uit. Er zijn wel wat gezinnen met kleine kinderen, die blijkbaar minder last hebben van de kou. De zee blijft voor hen beperkt tot pootjebaden.
Om twaalf uur besluiten we met z’n allen in de toren te eten. Met deze strandbezetting kan dat makkelijk. Misschien omdat ik erbij ben, komen de verhalen weer los: reddingen, bijna-ongelukken, stom toeval en geluk op het juiste moment. Thijs heeft me al een paar van zulke verhalen verteld. Nu luister ik anders. Ik heb inmiddels zelf ook een verhaal.
Na het eten lopen we het strand op. Dat wil ik graag. Ik ben niet gekomen om alleen maar op de toren te zitten, hoe belangrijk dat op drukke dagen ook kan zijn.
“Vandaag zullen kinderen niet snel kwijtraken,” merkt Thijs op.
Af en toe blijven we staan praten. De wind gaat wat liggen, de zon breekt door en bijna meteen verandert het strand. Er komen meer badgasten, al blijft alles goed te overzien. Toch speur ik voortdurend de zee af. Er zijn maar een paar zwemmers, maar sinds woensdag weet ik hoe snel rustig water gevaarlijk kan worden.
Bij de toren spreken we het andere team. We zijn het erover eens: tot nu toe is het een rustige dag.
Het is al vier uur en onze dienst zit er bijna op. De avondploeg komt zo om ons af te lossen. Dan voel ik ineens een tik op mijn schouder. Achter me staat een jongen van een jaar of zestien. Hij komt me bekend voor, maar ik kan hem niet meteen plaatsen. “Dag…?” zeg ik vragend.
“Ik ben Lars. Je hebt me woensdag bij de golfbreker weggehaald. Ik wilde je nog bedanken,” zegt hij een beetje verlegen.
“O, sorry dat ik je niet meteen herkende, Lars. Met kleren aan zie je er anders uit dan in zwembroek.”
“Geeft niks. Ik was hier gisteren ook al, maar toen werkte je niet. Ze vertelden dat je er vandaag weer zou zijn. Ik wilde je bedanken… en eigenlijk ook vragen hoe je lifeguard wordt. Ik zwem graag en ik heb nu gezien hoe belangrijk dit werk is. Zullen we een keer ergens wat drinken en erover praten?”
Ik aarzel. Mag dat eigenlijk wel? Ik kijk naar Thijs. Die haalt zijn schouders op en glimlacht. “Een beetje promotie voor ons vak is altijd goed, Leon. Geen probleem.”
“Oké, dank je.” Ik draai me weer naar Lars. “Prima. Wanneer en waar?”
“Heb je zo na afloop tijd? Dan kunnen we bij het strandpaviljoen gaan zitten.”
“Is goed. Ik heb niet heel veel tijd, maar samen iets drinken hoeft niet lang te duren.”
“Dan ga ik er vast heen en zie ik jou daar straks.”
Lars loopt richting strandpaviljoen. Ik kijk Thijs aan. “Gebeurt zoiets vaker?”
“Bedankjes krijg je vaker,” zegt Thijs. “Maar dit soort uitnodigingen? Nee, dat heb ik nog niet meegemaakt. Als hij echt interesse heeft, kan hij zich aanmelden bij de reddingsbrigade.”
“Nou ja, ik zie het wel.”
Als mijn dienst erop zit en ik “tot morgen” tegen Thijs heb gezegd, loop ik naar het strandpaviljoen. Lars zit er al. Even lijkt hij kleiner dan op het strand bij de golfbreker, maar zodra hij opkijkt herken ik hem.
“Ik heb woensdag nog lang knikkende knieën gehad,” zegt hij zodra ik zit. “Toen pas besefte ik hoe stom ik was geweest. Zonder het te merken kwam ik te dicht bij de golfbreker. Ik had het echt benauwd toen je bij me kwam. Ik weet niet wat er gebeurd zou zijn als jij er niet was geweest.”
“Het was toeval dat ik die ochtend zelf daarheen was gezwommen om te ervaren wat de stroming doet,” vertel ik. “De boot lag vlakbij met twee collega’s. Toen de stroom mij pakte, raakte ik toch even in paniek. Daarna hoorde ik in mijn hoofd wat ze me hadden ingeprent: geen paniek, met de stroom mee. Dat heb ik gedaan. Daarom vroeg ik later meteen of ik naar jou toe mocht zwemmen. Ik zag dat je bang was.”
“Gelukkig is het goed afgelopen,” zegt Lars zacht. “En nu wil ik graag weten hoe je lifeguard wordt.”
Onze drankjes worden gebracht.
“Waar woon je eigenlijk, Lars? En zit je nog op school?”
Lars blijkt in dezelfde stad te wonen als ik, alleen zit hij op een andere school. Ik vertel hem dat ik bij de reddingsbrigade in onze stad heb leren zwemmen en daar verschillende lifeguard diploma’s heb gehaald. Dat zou hij ook kunnen doen. Als hij zich aanmeldt, kan hij na de zomervakantie starten.
“Hoe oud ben jij?”
“Ik word over twee weken 16.”
“Ik ben drie maanden geleden zeventien geworden. Met zeventien jaar en de juiste diploma’s mag je beginnen als lifeguard.”
“O, wat zou ik dat graag willen proberen. Zijn die diploma’s lastig?”
Er ontspint zich een leuk gesprek. Terwijl Lars praat, betrap ik mezelf erop dat ik hem beter bekijk dan nodig is. Hij heeft een open gezicht en het lijkt alsof hij voortdurend bijna glimlacht.
“Ik weet niet of alle eisen online staan,” zeg ik. “Als je ze niet kunt vinden, kan ik ze je wel doorgeven. Dan kun je kijken wat je al kunt en hoeveel tijd het kost om de diploma’s te halen.”
“Dat zou fijn zijn. Zal ik je mijn telefoonnummer geven? Dan kun je me op WhatsApp vinden.”
Lars geeft me zijn nummer. Ik bel hem op. “Zo, nu heb jij mijn nummer ook.”
“Ik ga thuis meteen kijken wat er online te vinden is. En hoe ik me op moet geven.”
“Helemaal prima. Als je nog vragen hebt hoor ik het wel.”
Lars rekent af. Ik sta op om naar mijn fiets te lopen. “Waar staat jouw fiets?” vraagt hij. Ik wijs hem aan. “De mijne staat vlakbij. Zullen we samen fietsen zolang dat kan?”
“Mij goed.” reageer ik.
We fietsen samen weg. Onderweg praten we door, eerst over school en zwemmen, daarna over van alles en nog wat. Het gaat opvallend makkelijk. Alsof we elkaar al langer kennen dan sinds woensdag bij de golfbreker.
Na het eten - waarbij ik natuurlijk verslag doe van mijn dag en Lars niet vergeet te noemen - zoek ik op mijn laptop naar informatie over de verschillende diploma’s. Na lang zoeken vind ik de eisen, in het Engels. Ik vraag me af of Lars ze zelf ook kan vinden. Voorlopig wacht ik af of hij weer contact opneemt.
Als ik later in bed lig en aan Lars terugdenk, merk ik dat hij opvallend vaak door mijn hoofd gaat. Vaker dan jongens die ik anders leer kennen. Komt dat door de manier waarop we elkaar hebben ontmoet? Door de schrik, de stroming, het moment waarop ik hem uit het water haalde? Of is het iets anders? Lars is leuk. Niet alleen om te zien, maar ook in de omgang. Bij hem voelde alles meteen vanzelfsprekend. Maar ja, zoals de meeste leuke jongens zal hij wel straight zijn. Met die gedachte val ik uiteindelijk in slaap.