Pagina 1 van 1

Tussen de golven. Deel 9.

Geplaatst: di 11 aug 2026, 05:58
door Wimmie
Als ik op het strand aankom, slaat de regen horizontaal tegen mijn gezicht. De wind jaagt slierten wit schuim over de vloedlijn en de branding beukt harder dan ik haar de hele week heb gezien. Op de toren is alleen Thijs er.
“Slecht nieuws,” zegt hij nog voor ik mijn regenpak uit heb. “Van beide andere teams is er iemand ziek. We draaien vandaag met twee teams. Met dit weer lukt dat wel, maar als het opklaart, wordt het rennen.”

“Daar ben ik voor,” zeg ik. Ik probeer luchtig te klinken. “Hoe waren jouw vrije dagen?”
“Rustig. Bioscoop met mijn vriendin, daarna nog een avond discotheek met vrienden. Verder vooral uitgeslapen.” Hij kijkt me onderzoekend aan. “En jij?”

Ik blijf even bij het raam staan. Buiten verdwijnt het strand achter een grijze sluier. “Heftig,” zeg ik. “Er is veel gebeurd. Meer dan ik had verwacht.”
Thijs hoeft maar één wenkbrauw op te trekken. “Lars?”
Ik draai me om. “Hoe weet jij dat?”
“Omdat jullie allebei probeerden te doen alsof er niets aan de hand was.” Hij grijnst. “Dat lukt meestal niet.”

Ik slik. Kan ik dit aan Thijs vertellen? Dan knik ik, meer tegen mezelf dan tegen hem.
“We hebben iets dat op een beginnende relatie lijkt,” zeg ik zacht. “Lars was al verliefd op mij. Ik geloof dat ik het aan het worden ben. We zijn twee dagen veel samen geweest. Hij heeft zich opgegeven voor de cursus Lifesaver 1.”

“Zo.” Thijs leunt tegen de balie. “Eerste vriendje?”
“Ja. Tot drie dagen geleden wist niemand dat ik homo ben. Nu weten mijn ouders, mijn beste vriend, Lars, zijn gezin… en jij het.” Ik lach kort, maar mijn stem trilt. “Waar ik zo bang voor was, ging ineens bijna vanzelf.”

“Ik zag het al toen hij voor het eerst op je wachtte,” zegt Thijs. “Het was alleen nog wachten op de vonk.”
“Wat vind jij?” vraag ik. “Vind je het raar?”
Thijs schudt zijn hoofd. “Waarom? Jij bent Leon. Een fijne collega en een verdomd goede lifeguard. Dat verandert niet.”

Ik kijk naar mijn handen. “Ik wou dat iedereen zo dacht.”
Zijn gezicht wordt ernstiger. “Mijn broer is een jaar jonger. Toen klasgenoten het van hem ontdekten, hebben ze hem een maand lang kapot gepest. Pas toen hij naar de schoolleiding stapte, stopte het. Die maand heeft hem ouder gemaakt.”
“Daar ben ik dus bang voor,” zeg ik. “Dat het ineens niet meer makkelijk is.”

Voordat Thijs kan antwoorden, komen Anette en Karin binnen, natte jassen, rode wangen en nat zand aan hun schoenen.
“Hoe gaan we het vandaag doen?” vraagt Anette. “Met zijn vieren is niet ruim.”

Thijs kijkt ons een voor een aan. “Blijft het zo, dan houden we vooral torenwacht. Klaart het op, dan gaat één van ons boven en drie het strand op. Dan moet iemand het hele strand bestrijken, tenzij één kant veel drukker wordt.”

“Kortom,” zegt Karin, “we hopen op slecht weer en bereiden ons voor op goed weer.”

Even later zitten we rond de tafel. Ik kijk op Buienradar: in de tweede helft van de middag zou de regen stoppen en kan de zon doorbreken. Dan springt de temperatuur van zeventien naar drieëntwintig graden.
Ik lees het voor. Thijs tuurt naar de lucht. “Dit keer zouden ze best gelijk kunnen hebben. Daarachter wordt het lichter.”

Zolang het regent, praten we wat bij. Als ik aan de beurt ben, kijk ik naar Thijs. Hij knikt. Dus vertel ik over Lars. Anette feliciteert me meteen. Karin legt dramatisch een hand op haar borst. “Een lifeguard-romance! Niet eens tussen twee lifeguards, maar tussen een lifeguard en zijn geredde drenkeling. Dat moet in de annalen.”
“Na vier dagen al?” vraag ik. “Mag het eerst nog even echt worden?”
“Nee hoor,” zegt Karin. “Dit soort verhalen moet je bewaren voor later.”
“Voor welk later?”
“Voor als jullie samen oud en grijs zijn en ruzie maken over wie er vroeger het heldhaftigst was.”
“Dan wint Lars,” zeg ik. “Hij heeft zich al laten redden.”

Thijs lacht. “Laat hem eerst maar genieten, Karin. En Leon: je pareert haar beter dan de meeste nieuwe mensen hier.”

Daarna zoekt iedereen werk: lijsten bijwerken, spullen controleren, de vloer aanvegen. Er ligt altijd zand.

We eten samen. Na de lunch breekt een schuchter zonnetje door. Heel even lijkt het strand zijn adem in te houden.

Een uur later schijnt de zon vol. De temperatuur kruipt naar tweeëntwintig graden en de eerste bezoekers komen het strand op. Het schuim ligt nog als vuile watten op de vloedlijn. Het wordt eb; straks droogt het in.

Anette blijft op de toren. Thijs, Karin en ik gaan het strand op. Ik loop afwisselend met een van hen mee en ik wissel telkens in het midden. Het voelt onhandig, maar met drie mensen is dit het beste plan.

Het blijft eerst rustig. Maar tegen drie uur komt er ineens een grote Duitse groep aan. Handdoeken, koelboxen, kinderen, ouders, grootouders: binnen een paar minuten hebben ze een heel stuk strand bezet. Een aantal loopt meteen naar zee, precies bij de golfbreker.

Thijs blijft staan. “Die moeten we nu waarschuwen.”
Ik voel mijn maag samentrekken en zoek in mijn hoofd naar Duitse zinnen. Als Thijs me aankijkt, weet ik al wat hij gaat vragen.
“Wil jij het doen, Leon? Jij hebt op school Duits.”
“Ik probeer het.”

Bij de waterlijn blaas ik op mijn fluit. Hoofden draaien naar me toe. De wind trekt aan mijn stem, maar ik dwing mezelf rustig te blijven.
“Achtung bitte! In der Nähe der Wellenbrecher gibt es eine starke Strömung. Schwimmen Sie dort nicht, besonders nicht bei diesem Wind und ablaufendem Wasser.”
Even is het stil. Dan roept een man: “Wir sind gute Schwimmer. Uns passiert nichts!”
Thijs kijkt me kort aan. “Nog één keer duidelijk.”
Ik haal adem. “Auch gute Schwimmer geraten in diese Strömung. Wenn Sie hineinkommen, treibt sie Sie vom Strand weg. Bitte schwimmen Sie in der Mitte zwischen den Wellenbrechern.”

Er volgt gemopper, wat overleg, een paar schouders die worden opgehaald. Dan verplaatst de groep zich toch naar het midden.

“Gelukkig,” zeg ik. Pas dan merk ik dat mijn handen gespannen zijn. “Wat als ze waren blijven staan?”
“Wat zou jij doen?” vraagt Thijs.
“Nog één keer waarschuwen. Uitleggen wat een stroming naast een golfbreker doet.”
“En als ze dan nog niet luisteren?”
“De toren vragen de strandpolitie te waarschuwen. En dat tegen hen zeggen.”
Thijs knikt. “Goede volgorde. De politie kun je afbellen. Maar als zij in de problemen komen, moeten wij het water in. En dan is het risico voor iedereen groter.”

We lopen verder. De wind blijft hard en de branding rommelt onrustig door. Er zijn weinig mensen in zee. Juist daardoor valt het meteen op als Karin en ik van de toren weglopen en de mobilofoon kraakt.
“Leon, kom snel naar mij toe!” roept Thijs.
Ik draai om en begin te rennen. Al van een afstand zie ik het: twee mannen zijn toch bij de golfbreker terechtgekomen. Hun armen maaien door het water. Ze schreeuwen, maar de wind scheurt de woorden uit elkaar. Thijs is al de zee in.
“Boot!” roep ik naar Karin. “We hebben de boot nodig!”
“Ik regel het!” roept ze terug. “Anette, kom je helpen?”

Ik ren door, gooi me in het koude water en zwem recht naar de stroming. Elke golf slaat zout in mijn mond. Thijs heeft de eerste man al aan zijn boei. De tweede vecht nog tegen het water, maar komt geen meter dichterbij.
“Nicht kämpfen! Treiben lassen! Ich komme zu Ihnen!” schreeuw ik. Hij hoort me. Of hij is te moe om nog tegen te werken. Even later grijpt hij mijn boei met beide handen. Ik laat ons met de stroom meevoeren, weg van de golfbreker, tot de trekkracht eindelijk minder wordt.
“Sie haben jetzt gespürt, warum wir gewarnt haben,” zeg ik, hijgend. “Glücklicherweise ist es gut ausgegangen.”

Dan horen we de boot. Thijs klimt als eerste aan boord en helpt zijn drenkeling naar binnen. Daarna trekken Karin en Anette mijn man aan boord. Ik kom als laatste, met loodzware armen.

Niemand zegt iets terwijl we naar de kant varen. De twee mannen, allebei ergens midden dertig, schokken van kou, spanning en schaamte.

Vlak bij de kant vraagt Thijs of ze zelf kunnen uitstappen. Dat lukt. Met zijn vieren trekken we de boot het strand op. “Mit zum Turm kommen,” zegt Thijs. De mannen kijken onzeker. “Warum?”
“Wir müssen den Einsatz registrieren,” zegt Thijs. Zijn stem is rustig, maar niet vriendelijk meer.
De mannen overleggen kort en lopen mee. Achter ons gebaart de groep druk. Een van hen komt naar mij toe en wil weten wat er precies gebeurd is.
Ik leg uit dat we niet zomaar hebben gewaarschuwd. Langs een golfbreker kan een sterke stroming richting zee staan. Wie erin terechtkomt, moet niet terug naar het strand vechten, maar zich laten meenemen en schuin uit de stroming zwemmen, weg van het strand en de pier.
De man vertelt het aan de rest. De drukke stemmen vallen langzaam stil. Een paar mensen kijken naar de zee alsof die ineens groter is geworden.
Ik knik naar de groep en loop naar de toren.
Als ik omkijk, is er niemand meer in zee.

Boven zie ik een merkwaardig tafereel: de twee mannen voor de balie, druipend en met gebogen hoofd, terwijl Thijs, nog natter dan zij met zijn lifeguard-kleding aan, gegevens probeert te noteren. De bladzijden van het logboek krullen al op van het water.
Ik pak een handdoek en mijn telefoon. “Zal ik het inspreken? Dan vullen we het straks droog in.”
Thijs kijkt op. Even verdwijnt de strengheid uit zijn gezicht en glimlacht hij. “Goed idee. Doe maar.”
Dus spreek ik het verslag in terwijl het water uit mijn haar op mijn schouders drupt.
Als ik klaar ben, geef ik de mannen een handdoek. Afgedroogd geven ze ons zwijgend allebei een hand en druipen af, letterlijk en figuurlijk.
“Jij stijgt met de dag in mijn achting, Leon,” zegt Thijs.
Hij wringt water uit zijn mouw.
“Dit laat zien hoe lastig het is met vier mensen in plaats van zes. Dat zet ik ook in het logboek. Maar eerst droge kleren.”

Als we omgekleed zijn, kijken we over het strand. De Duitse groep is vertrokken. Niemand ligt nog in zee. De zon is opnieuw achter wolken verdwenen.
Nog drie kwartier tot de avondploeg komt.
“Die treffen het,” zegt Thijs droog. “Alles is weer rustig.”
“Of saai,” zeg ik.
“Ik heb één keer avondploeg gedraaid,” zegt Karin. “Eén keer en nooit weer. Vanaf een uur of zeven komen er altijd mensen met te veel drank en te weinig verstand. Geen lolletje.”

Daarna loop ik de balieruimte in. Daar staat Lars.
“Ik heb je vriendje maar even boven gevraagd, kanjer van een collega.” zegt Thijs met een brede lach.
Ik voel dat ik rood word. Lars lacht, loopt naar me toe en kust me terwijl hij weet dat iedereen kijkt. “Vriendje?” zegt hij. “Dat klinkt goed.”
“Mooi, jongens,” zegt Karin. “Maak er een gezellige avond van.”
“Jullie ook,” zeg ik. “Tot morgen.”
Beneden bij de trap draait Lars zich nog een keer naar me toe. Hij kust me opnieuw. “Dag kanjer,” fluistert hij. “Vriendje.”
Ik lach, nog steeds rood. “Kom,” zeg ik. “We gaan.”