Tussen de golven. Deel 11.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 318
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Tussen de golven. Deel 11.

Bericht door Wimmie » do 13 aug 2026, 05:57

Het is mijn laatste werkdag van de tweede reeks van drie dagen. Na vandaag heb ik weer twee vrije dagen: zondag en maandag. De vorige keer voelde dat vooral als uitrusten. Nu voelt het anders, alsof er iets op me wacht. Lars wacht op me. Vanavond eet ik bij hem, en alleen al bij die gedachte merk ik dat ik sneller wil werken dan de dag eigenlijk toelaat.

Het is stralend weer. Er is geen wind. Om half tien zitten de eerste gezinnen al op het strand. Dat komt vast omdat het zaterdag is. Thijs is zoals altijd als eerste aanwezig, ik ben er als tweede. We werken weer met dezelfde ploeg als op mijn eerste dag.

“Dat worden vandaag waarschijnlijk geen reddingen bij de golfbrekers,” zegt Thijs. Hij kijkt over het water, dat er bijna te vriendelijk bij ligt. “Dat betekent niet dat er niks kan gebeuren. Mensen gaan verder dan ze doorhebben, stappen ineens in een kuil en raken in paniek zodra ze niet meer kunnen staan. Zeker als ze niet goed kunnen zwemmen, is zo’n rustige zee soms verraderlijker dan golven.”
“En verder?” vraag ik, terwijl ik automatisch naar de gezinnen kijk die zich steeds dichter op elkaar installeren. “Een hoop zoekgeraakte kinderen?”
“Ja op drukke dagen is die kans groot. Maar dan gaan we regelmatig omroepen: ouders: houd uw jonge kinderen in de gaten op dit drukke strand.”
“Ook zo’n dagje lijkt me leuk. Hoort er ook bij!”
“Probleem is dat je minder goed overzicht hebt op een heel vol strand. O, ja: en met mooi weer wordt er meer bier gedronken. Eigenlijk is dat op het strand verboden. Maar we kunnen dat moeilijk handhaven. Dus wordt het gedoogd. En dat wil wel problemen geven.”

“Kortom: weer een dag met verrassingen. Er is hier tot nu toe geen dag saai geweest.”
“Ik kan me ook geen saaie dagen herinneren. Er gebeurt altijd wel wat.”

Wij beginnen vandaag op de toren, daarna een dienst links van de toren en tot slot de dienst rechts van de toren. Het is wel druk, maar het zijn vooral gezinnen met kinderen, van klein tot een jaar of 10-12. Voetballers zijn er nauwelijks. In zee zijn op dit moment alleen maar pootjebaders.

Vanaf de toren hebben we een goed overzicht, maar juist omdat het strand zo volloopt, moet ik harder werken om echt alles te blijven zien. Kleuren van handdoeken, parasols en zwembandjes schuiven door elkaar. Als we al anderhalf uur bezig zijn, komt de eerste melding: een meisje van vier is zoek. Haar moeder komt huilend naar boven en zegt dat ze bij ons blijft, terwijl vader over het strand loopt te zoeken.
“Misschien kan hij beter op jullie plek blijven.” suggereert Thijs. “Meisjes van 4 jaar weten vaak heel goed waar hun plekje is. Als zij nu op jullie plekje komt vindt ze jullie niet!”
De moeder pakt haar telefoon en meldt het haar man. Die belt binnen drie minuten terug: ze zat inderdaad op haar ouders te wachten….. Weer een probleem opgelost.

We eten vóór twaalf uur op de toren, zodat we daarna tijdens onze ronde alle aandacht voor het strand kunnen hebben. Dat valt reuze mee. Vlak voor we van de toren afgaan, roepen we nogmaals om dat ouders goed op hun vooral kleine kinderen moeten letten. De oogst staat vandaag al op vijf verloren en teruggevonden kinderen. Het lijkt te helpen.

Maar om twee uur meldt een moeder zich bij ons. Zij was met haar peuter van twee en een half aan het pootjebaden tot ze een bekende zag. Daar praatte ze even mee, liet zijn handje los en toen kon ze ineens haar zoontje niet meer vinden.
Thijs vraagt haar of ze ons naar de plek wil brengen waar het gebeurde en vraagt mij het bij de toren te melden. Die roepen het om.
Op de plek aangekomen wijst Thijs naar de waterlijn. “Wil jij door het water heen en weer gaan lopen? Van hier twintig meter naar links en twintig meter naar rechts. En dan een meter dieper.” Ik knik en stap meteen het water in. Terwijl ik zoek, merk ik hoe mijn maag zich samentrekt. Een jongetje van tweeënhalf is klein. Veel te klein tussen benen, golven en handdoeken. Dan komt het bericht van de toren: ‘hij is door een oplettende moeder naar ons toe gebracht’. We kunnen zijn moeder geruststellen, maar Thijs waarschuwt haar meteen dat op die leeftijd een paar momenten niet opletten al genoeg kunnen zijn. Ik voeg toe: “Wees lief voor hem. Hij heeft nog geen idee wat er gebeurd is. U bent zich rot geschrokken, maar hij waarschijnlijk ook. Dus gewoon heel lief voor hem zijn.”
“Dank je wel.” zegt moeder. “Ik ben inderdaad op van de zenuwen…..”
“Dit zal u nooit meer gebeuren.” voegt Thijs toe.

Als moeder naar de toren is gehold, blijft Thijs even naar de waterlijn kijken. “Sommige ouders begrijp ik echt niet,” verzucht hij. “Een jongetje van tweeënhalf is watervlug. Die ziet geen gevaar, die ziet alleen iets dat beweegt waar hij naartoe wil.”
“Ja, dat hebben ze ons in de training ingepeperd.”

Er gebeurt die middag verder niets bijzonders. In ieder geval geen dronken mensen.
“Hoe zou dat komen?” vraag ik Thijs.
“De drinkers gaan liever niet op een strand vol met gezinnen met kleine kinderen zitten. Ik denk dat als je buiten het bewaakte gebied ga kijken, je ze wel zult vinden.”
“Ik zit er niet op te wachten. Laat ze maar blijven.”
Aan het eind van de middag kijken we terug op een rustige dag.

“Dit is een mooie afsluiting van mijn tweede 3-dagen werken. Nu weer twee dagen vrij. Heb jij nog plannen? “ vraag ik Thijs.
“Ja, morgen ga ik met mijn vriendin naar een verjaardag. En maandag zie ik wel. Dan heb ik nog geen plannen. Ik ga in ieder geval niet aan het strand liggen.”
“Doe je dat dan niet meer sinds je lifeguard bent?” vraag ik.
“Daarvoor deed ik het ook al niet. Ik kan niet zo lang stilzitten of stilliggen. Wel zwemmen, daarna weer weg. Zwemmen doe ik ook wel eens als mijn dienst is afgelopen.”
“Ja, dat snap ik. Ik ben ook geen zonnebader. En een zandkasteel bouwen zie ik ook niet meer zitten.”
“Je ziet heel wat vaders dat wel doen. Hebben ze een goed excuus…..”

Terwijl we dat zeggen steekt Lars zijn hoofd om de deur van de toren. “Zijn jullie al uit dienst?” vraagt hij met een glimlach.
“Jazeker,” zegt Thijs. “Van mij mag je Leon meenemen. Maar zorg wel dat hij dinsdag heel terugkomt. We hebben hem hier hard nodig.”
“Wat denk je wel niet van mij of van ons?”
“Geen idee. Leon kan ik niet missen…..”
“Ik ook niet, tot dinsdag, dan mag jij hem weer hebben. Anders krijg ik ruzie met mijn vriendje.”

We groeten iedereen, zoeken onze fietsen op en rijden naar Lars’ huis. Onderweg zeggen we minder dan anders. Niet omdat er niets te zeggen is, maar omdat we allebei weten waar we naartoe gaan. In de woonkamer is niemand. Het huis is stil, op het zachte geluid van onze stappen na.

“Ik geloof dat er niemand thuis is.”
“Hebben wij het rijk alleen.”
“Dat komt niet zo vaak voor. Maakt niet uit.”

We kijken elkaar aan. Heel even zeggen we niets. Dan is die afstand tussen ons er eigenlijk al niet meer, alsof we de hele dag alleen maar hebben gewacht tot niemand ons nog stoorde.
“Dit heb ik nu de hele dag al willen doen.”
En Lars voegt direct de daad bij het woord.
Als we na drie kwartier leven in huis horen besluiten we ons weer te fatsoeneren. “We zullen zo wel geroepen worden dat we kunnen eten.”
En dat gebeurt inderdaad.
Ik krijg de nodige vragen over alle spannende verhalen die ik inmiddels wel moet kunnen vertellen. “Ik heb wel wat meegemaakt, maar ik zie het niet als een spannend verhaal. Voor mij is het werk.”
Toch vertel ik het nodige. Ik snap ook wel dat ze dat graag willen horen.

Na het eten gaan we naar de kamer van Lars.
“Weet je wat ik graag eens zou willen?” zegt Lars. Hij kijkt niet meteen weg, maar ook niet helemaal zeker naar me. “Samen slapen.”
“Wooow,” zeg ik. “daar heb ik nog niet eens aan gedacht.” Zodra ik het zeg, merk ik dat het niet helemaal waar is. Misschien heb ik er niet bewust aan gedacht, maar mijn lichaam begrijpt het idee eerder dan mijn hoofd.
“Als we dat morgenavond bij mij thuis doen kunnen we maandag ook uitslapen, want ik werk niet. Is dat een idee?”
“Vinden jouw ouders dat goed?”
“Vast wel, nu ze het weten en hoe ze gereageerd hebben. We zijn alle twee al oud en wijs genoeg en ik kan je niet zwanger maken.”
“dan lijkt het me een goed idee. Als jij dat thuis vraagt, doe ik dat vanavond hier. Dan kom ik morgen naar jou toe en ga jij maandag met mij mee. Dat zullen mijn broers en zus leuk vinden.”
Dat is dan afgesproken.
Daarna moeten we elkaar nodig weer eens verkennen.

Als ik thuis kom moet ik uiteraard eerst vertellen wat er vandaag gebeurd is. Daarna vraag ik of Lars morgenavond bij mij mag blijven slapen.
“Hoe lang kennen jullie elkaar al? “ vraagt mijn vader.
“Hoe bedoel je dat?”
“Precies zoals ik het je vraag.”
“Waarom? Is het een probleem?”
“Dat zeg ik toch niet, ik vraag alleen hoe lang jullie elkaar kennen.”
Ik slaak een zucht van verlichting. Even dacht ik dat ze het niet goed zouden vinden.
Mijn moeder knipoogt naar me.
“Nou, tien dagen geleden heb ik Lars gered. Precies een week geleden kwam hij mij bedanken en zijn we samen wat gaan drinken. Hij was al verliefd op mij, ik werd het daarna.”
“Precies. Jullie kennen elkaar een week. In die week is het wel hard gegaan. Dat is het enige dat ik wil zeggen.”
“Maar waarom?”
“Leon,” zegt mijn vader, “Lars is je eerste liefde. Je eerste vriendje. Dat vinden we helemaal prima, hardstikke fijn voor jou. Hij mag hier zolang het vakantie is gewoon blijven slapen. Dat is beter dan dat jullie dingen stiekem moeten gaan doen. We vertrouwen je, juist omdat je zeventien bent en verantwoordelijkheid kunt nemen. Maar dat vertrouwen betekent niet dat we nergens meer iets van vinden. Het enige wat ik wil zeggen is: overhaast niets. Jullie hebben alle tijd om samen te groeien.”
“O, bedoel je dat. Dat hebben we samen ook al besproken. We doen alleen iets als we ons er allebei prettig bij voelen. Lars heeft al eens een vriendje gehad. Daar heeft hij ook van geleerd.”
Mama gaat verder. “Zoals papa al zei: Lars is hier altijd welkom. En morgen blijven slapen: gezellig!”

Als ik op mijn kamer ben bel ik Lars.
“Hé, Leon. Heb jij het gevraagd?”
“Ja hoor, mijn moeder zei: “Gezellig.” Daarna vertel ik wat mijn vader erover zei.
“Dat komt omdat ik jouw eerste vriendje ben. Dan moet het idee dat ze een zoon hebben met een vriendje nog wennen. Toen ik het vroeg was het meteen ok. Net als eerder.”
“Ik schrok even en dacht dat ze het niet goed zouden vinden. Toen mijn moeder naar mij knipoogde, wist ik dat het goed zat.”
“Fijn, ik kom morgen naar je toe. Hoe laat verwacht je mij, of beter: hoe laat mag ik komen?”
“Het is morgen zondag, dan zijn we niet zo vroeg. Vanaf 9 uur is iedereen wel op. Ik sta je om 9 uur op te wachten.”
“Dan ben ik er om 9 uur.”
“Kusje.”
“Kusje.”

Als ik ga slapen meld ik me nog even.
Leon: Welterusten, lieve Lars.
Ik krijg direct reactie.
Lars: Welterusten, lieve Leon, tot morgen.
Leon: Kusje.
Lars: Kusje.

Gesloten