Koffie met een rietje. (deel 18) EPILOOG

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Amexic
Berichten: 239
Lid geworden op: wo 10 jun 2015, 20:14
Vul het getal in: 123
Locatie: Antwerpen

Koffie met een rietje. (deel 18) EPILOOG

Bericht door Amexic » vr 19 jun 2026, 18:22

Koffie met een rietje. (deel 18)

De Antwerpse Kempen verwelkomde Hannes niet met de grandeur van het Berninamassief, maar met de geur van nat asfalt, de kale aanblik van gemaaide maïsvelden en de laatste warmte van een Vlaamse nazomer.
Het contrast met Samedan was groot. Hannes ging snel weer aan het werk en reed weer met de fiets naar de bakker; zijn koersfiets bleef voorlopig nog aan de haak hangen. De fysiotherapeut was tevreden. De stijfheid in zijn rechter elleboog was geweken voor de souplesse die hem eigen was. Hoe vlot het dagelijkse leven ook liep, het huis voelde te groot en vooral veel te stil.
Hannes zat aan de keukentafel en bekeek de hanger die op zijn borst rustte. Het gipsen poesje was altijd bij hem. Hij betrapte zichzelf erop dat hij met zijn duim over de randen streek, precies zoals Marnix destijds over zijn knokkels had gewreven.
‘Je mist je maatje, hè,’ zei hij tegen het poesje. Het praten in zichzelf voelde surrealistisch. De stilte maakte de uitspraak pijnlijk voelbaar.
Het dagelijkse leven zonder Marnix wende, maar het bleef een constante vorm van wachten. Toen Marnix twee maanden na hun afscheid bij zijn familie in Nederland op bezoek was, bedroeg hun afstand in vogelvlucht slechts zestig kilometer. Toch voelden de dagen voor zijn komst nog steeds heel ver weg.
De deurbel galmde abrupt door de gang.
Hannes sprong op; zijn hart maakte een heerlijke sprong. Marnix stond op de stoep met een grote reistas over zijn schouder, zijn haar lichtjes in de war door de wind. Hij had die bekende, indringende blik in zijn ogen. ‘Ik dacht: ik bel niet vanuit het station, anders ga je nog opruimen,’ zei Marnix met een brede grijns.
Hannes lachte, zijn ogen glinsterden. ‘Alsof er hier ooit iets rommelig ligt als jij er niet bent,’ plaagde hij direct terug. Zonder aarzelen stapte hij naar voren en sloeg zijn armen om Marnix’ nek. Het voelde volkomen natuurlijk. Hij klemde hem dicht tegen zich aan, voelde de warmte van Marnix en kneep zijn vingers vast in de stugge stof van zijn zomerjas.
Marnix liet zijn reistas onbarmhartig op de mat in de gang vallen en sloeg zijn armen om Hannes’ middel. ‘Kijk eens aan,’ fluisterde hij dicht bij Hannes' oor. ‘Welke versie van jou is dit? Wat een kracht.’ ‘De versie die je voorlopig niet meer loslaat,’ mompelde Hannes zacht maar beslist tegen zijn schouder. ‘Ik jou ook niet.’
Toen ze elkaar na een lange kus loslieten, keek Marnix spiedend om zich heen in de gang. ‘Mooi hier.’ Hannes schoot in de lach. ‘Iets opruimen hoeft dus niet meer. Ik heb al wel iets klaargezet.’
In de keuken stond de koffie gereed voor een druk op de knop en er was taart. De geur van verse koffie bracht hen in één klap terug naar die vroege ochtenden in Samedan. Hannes liep naar de keukenkast, haalde er twee mokken uit en stak even later in elk van de dampende koppen een felgekleurd rietje.
Marnix keek naar de tafel, toen naar Hannes, en zijn ogen vernauwden zich tot vrolijke spleetjes. ‘Volgens de orthopedisch chirurg kan je inmiddels toch echt wel uit een glas drinken, dacht ik? Of ben je hervallen?’ Hannes schoof zijn stoel vlak naast die van Marnix, zodat hun bovenbenen elkaar stevig raakten. Hij keek Marnix met een spottende glimlach aan. ‘Die chirurg weet overduidelijk niets van romantiek. Bovendien moet ik die herwonnen grip van mij toch blijven oefenen?’
Marnix lachte zacht, legde zijn hand op Hannes’ knie en liet die langzaam over zijn dij omhoog glijden. Hij boog zich voorover en drukte een trage, warme kus net onder Hannes' oorlel, precies op de gevoelige plek die hij in de Zwitserse bergen had ontdekt.
De zon zakte langzaam achter de Vlaamse daken en kleurde de keuken goudgeel. De reistas stond nog ongeopend in de gang. De toekomst was niet langer onbepaald; ze zaten er middenin.
De twee fel gekleurde rietjes stonden overeind in de lege mokken op de keukentafel, maar de keuken zelf was al uren leeg.
In de slaapkamer van Hannes was het laatste daglicht inmiddels geweken voor het diepe blauw van de avond. Door het open raam droeg de wind het verre gezoem van de snelweg aan, vermengd met de koelte van de vallende nacht. Binnen de vier muren van de kamer bestond de buitenwereld niet.
Hannes lag achterover op het bed, zijn borstkas ging rustig op een neer. Marnix lag tegen hem aan, met zijn hoofd op Hannes’ schouder, terwijl zijn vingers gedachteloos patronen tekenden op Hannes’ buik. Hannes keek naar de lichte welving van Marnix' ontblote heup en de gladde, strakke ronding van zijn billen. Zijn huid was jong en elastisch, en zijn spieren hadden de natuurlijke stevigheid van een jonge twintiger. Slank en pezig, maar tegelijk lenig en soepel. De volwassenheid was zichtbaar in zijn bouw, al regeerde de jeugdigheid nog. Zijn borst was glad, de mannelijke beharing nog niet vol.
Hannes streek met zijn vingers over Marnix’ schouder. ‘Toen we aan de Stazersee zaten, was ik bang dat we te ver waren gegaan voor iets dat misschien zou stoppen zodra ik Zwitserland verliet.' Marnix verschoof iets, zodat hij over Hannes heen leunde, zijn armen aan weerszijden van Hannes’ kussen. Het gipsen poesje bungelde tegen Hannes’ sleutelbeen, een koele prikkeling op de warme huid.
Hannes keek omhoog naar het gezicht van Marnix. Dit was het moment. Het had niets te maken met de drang om te pleasen en het was ook geen blinde lust die hem dreef. Hij zocht geen excuses. Wat hij wilde, was de rustige bezegeling van hun liefde en het diepe vertrouwen dat ze samen hadden opgebouwd. Daarin was geen reden voor aarzeling. Hoe nieuw en onervaren ze hierin ook waren, de onzekerheid bestond niet. Hij wist precies wat hij wilde.
Zonder een woord te zeggen, reikte Hannes met een trefzekere beweging naar zijn nachtkastje. Hij trok de schuif open en nam het glanzende vierkantje en de tube gel in zijn hand. Hij legde de spullen rustig tussen hen in op het laken. Marnix keek ernaar, en de plagerige blik in zijn ogen maakte plaats voor een diepe ernst.
Met tien vrije, sterke vingers scheurde Hannes de verpakking open. Er zat een beheerste durf in zijn bewegingen. Hij keek Marnix recht aan, een klein glimlachje om zijn lippen. ‘Zie het als een standaardprocedure, verpleger. Gewoon netjes volgens het protocol.’ Marnix ademde hoorbaar dieper in, geraakt door de directe, kalme daadkracht.
‘Het is geen gebrek aan vertrouwen,’ ging Hannes zachter verder, terwijl hij zijn armen om Marnix' middel sloot en hem vastberaden aankeek. ‘Het maakt ook allemaal niks uit. Ik wil vooral dat jij het bent.’ ‘Versie 2.0,’ fluisterde Marnix. Zijn stem klonk onvast. ‘Zonder haast,’ herinnerde Hannes hem aan zijn eigen woorden uit Samedan. Hij verstevigde zijn grip en trok Marnix met kalme, zachte dwang dicht naar zich toe, tot er geen millimeter meer tussen hen overbleef. ‘Vanaf nu is het wel voor echt.’
Het was nieuw voor hen, een grens waar ze tot nu toe mee hadden geflirt. Een diepe ernst speelde met volwassenheid; de onervarenheid lag open en bloot tussen hen in, maar het verlangen was te groot voor twijfel. Marnix boog zich voorover en hun lippen vonden elkaar in een hongerige kus. De toekomst was nu.
Buiten sliep de wereld onder een deken van de late nazomer. Binnen was de ruimte tussen hen voorgoed opgeheven. De rietjes in de keuken mochten blijven staan als herinnering aan hoe het begon, maar vanaf vanavond dronken ze definitief uit dezelfde beker.
Op zondagavond gleed de vroege herfst geruisloos over de dennenbossen. Binnen stond de reistas grotendeels ingepakt in de hoek van de slaapkamer, een stille getuige van het onvermijdelijke afscheid de volgende ochtend.
Marnix keerde terug naar Zwitserland. Nog twee maanden, dan liep zijn contract in het ziekenhuis van Samedan voorgoed af. Deze zestig kilometer tussen hun thuisbases was de afgelopen week slechts een peulschil geweest; de komende acht weken zou de geografische afstand tussen hen weer immens zijn. Maar de dynamiek was veranderd. Het was geen afscheid meer, het was de laatste rechte lijn.
Ze zaten aan de keukentafel met een laatste mok thee. Marnix roerde bedachtzaam in zijn mok. De plagerige blik van de voorbije week had plaatsgemaakt voor een serieuze toon. ‘Als die twee maanden voorbij zijn, Hannes, dan begint het pas echt. Ik moet binnenkort gaan solliciteren. Mijn leven daar afronden betekent dat ik hier helemaal opnieuw moet beginnen.’ Hannes knikte rustig. Hij wist hoe de kaarten lagen. Zelf had hij zijn leven in zijn eigen omgeving stevig op de rails: een vaste baan, een stabiel inkomen en zijn wielerploeg om de hoek. Hij was geworteld en voelde zich sterker dan ooit.
‘Verpleger is een knelpuntberoep, ook in Vlaanderen,’ ging Marnix verder, terwijl hij over de tafel reikte en Hannes’ hand vastpakte. Zijn duim streek over Hannes' knokkels. ‘Werk vinden zal het probleem niet zijn. De ziekenhuizen hier in de regio staan te springen om volk. De beslissing wáár ik ga solliciteren... dat bepaalt onze hele toekomst. Het is niet zover een vakantieliefde verlengen.’ Marnix liet een korte stilte vallen en keek Hannes indringend aan. ‘Denk er goed over na, Hannes. Het is oké als je daar tijd voor nodig hebt. We hoeven niets te overhaasten.’
Hannes kneep vriendschappelijk, maar beslist, in Marnix' hand. ‘Nadenken?’ zei hij helder. ‘Marnix, ik heb de afgelopen twee maanden weinig anders gedaan. Ik ben intussen uitgedacht.’ Marnix hield zijn adem in, gepakt door de vlotte, zelfverzekerde reactie.
‘Telkens als ik hier alleen aan de keukentafel zat en naar dat gipsen poesje op mijn borst keek, wist ik het al,’ legde Hannes rustig uit. ‘Die onzekerheid die ik aan de Stazersee voelde, is allang gesmolten. Ik heb echt geen bedenktijd meer nodig om te weten dat ik jou hier wil. Dus solliciteer maar lekker in de buurt. Mijn huis is groot genoeg voor twee versies van ons.’
De professionele, beheerste verpleegkundige maakte plaats voor de man die dolverliefd was. Marnix kneedde Hannes’ hand zo stevig samen dat het bijna pijn deed, een brede, opgeluchte lach op zijn gezicht. De toekomst was bezegeld. Ze praatten die avond nog uren door, de spanning voor de terugreis van Marnix volledig naar de achtergrond gedrongen.
Maandagochtend bracht de onvermijdelijke realiteit met zich mee. De reistas stond nu echt afgesloten klaar bij de voordeur. De zwaarte van het afscheid was weg; er restte alleen pure anticipatie op wat zou komen.
Marnix tilde zijn reistas van de grond. ‘Twee maanden,’ fluisterde hij aan de deur, terwijl hij Hannes een laatste, stevige kus gaf. ‘Nog een aantal shiften, een handvol nachtdiensten en dan ben ik terug. Voorgoed.’ ‘Ik tel de dagen af,’ zei Hannes met een brede glimlach. ‘Zorg dat je ginder in schoonheid eindigt.’
Toen de voordeur achter Marnix in het slot viel, galmde het geluid niet langer hol na door de gang. Het huis voelde plotseling niet meer te groot of te stil. Het was een warme plek die wachtte op de toekomst. De tijd van afstand houden was definitief voorbij; ze waren helemaal klaar om voor elkaar te zorgen.

Gesloten